Potosi, stad van zilver en bloed

potosi

Potosi, de stad die in 1546 ontstond aan de voet van de Cerro Rico, de rijke berg waar de Spanjaarden zilvererts aantroffen, heeft volgens Eduardo Galeano (in “Las venas abiertas de America Latina”) in de loop der eeuwen de levens van zo’n 8 miljoen Indigenas opgeslokt. Terwijl de stad al snel de rijkste en de grootste werd van heel Latijns-Amerika, met koloniale huizen waarin de fijnste gerechten werden geserveerd onder het geruis van de duurste stoffen, stierven de mijnwerkers als vliegen onder het onmenselijk zware werk. Het zilver werd vervangen door bloed ter ere en glorie van het Spaanse hof en de Europese banken, en niet in het minst die van Nederland en Vlaanderen.

mijnbedrijf

De hele berg is geperforeerd met gangen, kriskras door elkaar, en het zilver is er grotendeels verdwenen. Maar vandaag gaan er nog steeds mensen de mijnen in op zoek naar restjes zilver, koper en tin om eten te kopen of studies te betalen. Het werk is loodzwaar en alles gebeurd nog met de hand. De enige extra hulpkracht is het dynamiet waarmee grote stukken rots worden losgeslagen en de cocabladeren die gekauwd worden om langer te kunnen werken zonder vermoeidheid of honger te voelen.

mijnwerkers

Vroeger waren de mijnwerkers de revolutionaire krachten van Bolivia, maar vandaag de dag zijn de cocalero’s en de buurtwerkingen in El Alto of Oruro de politieke kracht van de mijnwerkers al een tijd voorbij gestoken. De grote staatsondernemingen zijn afgeslankt en de meeste mijnactiviteit bestaat uit kleine bedrijfjes die elk een eigen gang “uitbaten”. Vandaag leeft de stad weer een beetje op dankzij het toerisme. Je kan een van de vele kleine mijnbedrijfjes gaan bezoeken en een rondleiding krijgen in het binnenste van de berg, gewapend met een helm, een lamp en wat cocabladeren om aan de mijnwerkers en “El Tio” te schenken. El Tio, “oompje” of een afleiding van Dios (God), is eigenlijk de duivel. Bovengronds hebben de mensen schrik van de duivel, maar onder de grond beschermt hij de mijnwerkers. El Tio is de baas van de krochten en beslist over leven en dood. In het begin van elke hoofdmijngang staat een beeld van El Tio, een beeld waaraan geschenken gegeven worden om een veilige werkweek te vragen, of te bedanken voor het gevonden metaal. In zijn armen worden kleine flesjes straffe drank gelegd, in z’n schoot cocabladeren en rond z’n nek worden sigaretten gehangen.

el tio

Elk bedrijfje is georganiseerd volgens het principe van de zelfstandige ondernemer. De werkende werkgever neemt de winsten of de verliezen voor zich en neemt voor een bepaald bedrag onder zich een verantwoordelijke aan die op zijn beurt weer mensen aanneemt. De lagere werknemers krijgen een vast loon volgens de functie die ze uitoefenen en dat is gemiddeld zo’n 25 bolivianos per dag, oftewel een slordige 2,5 euro. Niets dus. Maar toch oefent dit loon op flink wat mensen nog een stevige aantrekkingskracht uit. Vele studenten komen in de mijnen hun studies betalen. Hieronder kruipt een werkende werkgever net uit z’n gang. Een man aan het einde van z’n loopbaan. Mijnwerkers die heel hun leven niets anders doen, trekken het over het algemeen niet veel langer dan 40 jaar. Grijze haren zie je in de mijn verschijnen onder het alomtegenwoordige stof, niet door de ouderdom.

gregorio

Grote mijnbedrijven hebben vandaag de dag wel wat beters te doen dan gangetjes graven. Dat is werk voor de armen die tevreden zijn met de restjes. Grote mijnbedrijven doen vandaag aan open mijnbouw. Ze graven gewoon hectaren grond weg en maken een enorme put in het landschap met grote machines. Daarvoor hebben ze heel veel electriciteit nodig. Daarom worden er overal stuwdammen gebouwd. En daarom moeten wereldwijd miljoenen mensen hun gronden verlaten. En de mensen die mogen blijven wonen drinken na een paar jaar chemisch vervuild water uit hun rivieren en worden ziek. En dan zijn de mijnbedrijven al weer weg om elders een put te gaan graven. Voor wat goud.

Comments are closed.