Tegucicalpa – San Salvador

De grootsteden van Centraal-Amerika zijn over het algemeen niet echt om over naar huis te schrijven. Zo mooi de landen zijn, zo lelijk zijn hun grootsteden. Guatemala stad, Tegucicalpa, San Pedro Sula, San Salvador. Open wonden van beton en ijzer en schreeuwerige reclame met slapende bedelaars ervoor. Overdag hier en daar gezellig bevolkte doolhoven van geur en lawaai. Maar vanaf de zon verdwenen is, sterven de straten snel uit. De leegte gaapt je langs alle kanten aan en als je geluk hebt vind je nog een hapje in één of andere fastfoodkeet. Als je geen auto hebt, moet je wel een taxi nemen. Anders zou men je nog kunnen neerschieten op verdenking van crimineel gedrag. Wie gaat er nu ‘s nachts te voet! Alleen overvallers en mensen die niets te verliezen hebben.

Vorige week bevond ik me bijna drie dagen in Tegucicalpa, de grauwe hoofdstad van Honduras, in de bureau’s van een frisdrankenvakbond. Beton, koude vloeren en Che Guevara keek me overal aan, tot in de WC’s. Het complex bevond zich naast de oprit van een autostrade. Hier was ik met de mensen van Copinh beland voor een ontmoeting tussen organisaties uit Honduras en El Salvador. Een ontmoeting over het leefmilieu en dus over de strijd tegen de op til staande mega-projecten van het Plan Pueblo Panama en andere, zoals bijvoorbeeld open mijnbouw-projecten en toeristische megacomplexen. Een zoektocht naar meer onderlinge uitwisseling en gezamelijke strijd.

De aanwezigen schommelden naar goede gewoonte weer tussen communistische syndicalisten en geëngageerde priesters die werken in de lijn van de bevrijdingstheologie. Die twee groepen blijken hier wel meermaals vruchtvolle samenwerkingen op poten te zetten. Op het einde van de ontmoeting werden we nog bezocht door de ambassadeur van Cuba, die, volledig in de lijn van Fidel, niet kon ophouden met praten. De enige aanwezige vrouwen waren van Copinh, ik was zelfs de enige man van de vierkoppige delegatie van de Lenca-indianen. De andere groepen waren exclusief mannelijk, zoals we dat van priesters en syndicalisten spijtig genoeg kunnen verwachten. Maar Berta Cacéres van Copinh spreekt zonder problemen vijf mannen tegelijk onder tafel en verdedigt het standpunt van de inheemse volkeren als een wolvin die zich heeft vastgebeten in één of ander koloniaal dijbeen.

Gustavo, een hele dikke buik van de frisdrankenvakbond met een petje van Che, opende wijdbeens de vergadering. Zoals dat hier wel meer de gewoonte is, sloeg hij met de vuist op tafel en zei hij : “Compañeros, bienvenidos! Compañeros, ik zal beginnen met een persoonlijke ervaring. Vorige week bezocht ik een dorp in Olancho en een oude man vertelde me dat de vertegenwoordigers van één van onze twee grote nationale leugenpartijen waren langsgekomen. Ik weet niet meer welke van de twee, de rode van Mel of de blauwe van Pepe Lobo, maar dat doet er eigenlijk niet echt toe. Ze brachten een gelegenheidsbezoekje, zoals dat men dat noemt. En met de verkiezingen die voor de deur staan, hadden deze mannen latrines aan het dorp beloofd, een hele hoop latrines voor het hele dorp. Ze vroegen zelfs waar de dorpelingen ze liefst neergepoot zagen. En de oude man toonde me waar ze zouden komen en zei me : “Maar Gustavo, wat moeten wij met al die latrines, we zijn in de loop der jaren nagenoeg al onze gronden kwijtgeraakt, en we eten nog nauwelijks. Dat ze hun latrines elders gaan neerpoten, wij kakken toch bijna niet meer”.”

Het zijn hier overal dezelfde verhalen die naar boven borrelen. Op til staande megaprojecten, beloften van ontwikkeling en werkgelegenheid, met als triestige eindbalans het privatiseren, uitzuigen en vernietigen van grote stukken grond met een relatief kleine hoeveelheid beschikbare banen voor de plaatselijke mensen die daarenboven hun gronden zijn kwijtgeraakt. Op dit moment zijn het vooral de stuwdammen die enorm gepromoot worden om aan de enorme energiebehoeften van mijnbedrijven en maquila’s te kunnen voldoen. En vooral om het energiepotentieel te scheppen om in de toekomst nog veel méér bedrijven aan te trekken. Ten tweede het aanleggen van nieuwe wegen. Er zijn de verbindingen van noord naar zuid, van Mexico naar Panama, maar men wil ook bijvoorbeeld een nieuwe snelweg aanleggen van de kust van Honduras naar de kust van El Salvador. Het “Canal Seco”. Een doorsteek van haven naar haven die een alternatief moet vormen voor het Panamakanaal. Er is steeds meer weerstand tegen die al projecten die goed zijn voor de accumulatie van (buitenlands) kapitaal, maar allerminst voor de bevolking. De mensen zijn arm, maar als ze grond hebben, zullen ze niet verhongeren. Met alle beloften over werkgelegenheid en investeringen en vooruitgang, verliezen echter velen hun grond aan mega-projecten (dikwijls zonder enige vorm van vergoeding) en moeten ze in de grootsteden het leger armen gaan vervoegen.

Daarenboven creëert dit leger armen ook een onveilige situatie met verhoogde criminaliteit in de grootsteden. En die criminaliteit speelt flink in de kaart van rechtse politici. In Honduras en El Salvador staan de kranten vol van de “Mara’s”, groepen jongeren die voor niets terugdeinzen en mensen zouden vermoorden voor een GSM. Maar hun bestaan wordt in de kranten uitvergroot tot een nationale bedreiging. De straten zijn ‘s avonds leeg, de mensen sluiten zich angstig op, en waar angst regeert is er geen plaats voor open politieke discussie. De ultrarechtse Pepe Lobo zal in november in Honduras waarschijnlijk de verkiezingen winnen met de slogan “Werk en Veiligheid”. In Honduras lopen zo’n 10.000 politieagenten rond en daarbovenop 18.000 privé-bewakingsagenten met onduidelijke bevoegdheid en stevige shotguns. Pepe Lobo wil daar nog eens een schepje bovenop doen. Aan “veiligheid” wordt hier grof geld verdiend. Een nagenoeg lege etalage met vier hoesjes van gsm’s, niet meer dan dat, wordt hier bewaakt door zo’n onbeweeglijke snor met shotgun. Als je een bar binnengaat om iets te drinken, wordt je grondig gefouilleerd. En een bank stelt hier dubbel zoveel bewakers als bedienden tewerk.

In San Salvador hoorde ik dezelfde verhalen. De mensen spreken allemaal over het gevaar, het gevaar in de bussen, in de straten, overal kunnen ze je overvallen en neersteken. Alleen binnen is het veilig, of in de immense shoppingcenters tot sluitingstijd. De stad is leeg in de avond. Alleen afval dat door de straten waait tussen de mondeloze gevels en de helverlichte publiciteit. Echt een schrikbeeld. Hier en daar zijn er mensen die zeggen dat het allemaal overdreven wordt, dat er partijen zijn die belang hebben bij de onveiligheid. Er zijn ook mensen die beweren dat de politie in sommige wijken de Mara’s gewoon laat begaan. Dat ze zelfs akkoordjes sluiten. Of dat de Mara’s soms politie-agenten zijn… Dat ze alleen de rijke wijken bewaken en dat ze er belang bij hebben dat de armen binnen blijven. Dat de armen zich dan niet kúnnen organiseren.

Dat wordt soms gezegd.

Vandaag was het mijn laatste dag Centraal-Amerika. Morgen zal ik in Caracas toekomen. Nog zo’n enorme grootstad. Vandaaruit trek ik over land een stukje Zuid-Amerika door. Venezuela, Brazilië, Bolivia. Benieuwd wat ik er zal te zien krijgen en welke verhalen het “Land van Stoute Hugo” te vertellen heeft. Hugo zit nu trouwens samen met Grote George in Mar del Plata, Argentina, op de Top van de Amerika’s. Daar gaan ze touwtjetrekken over de ALCA. Naar goede gewoonte verzamelen de sociale bewegingen zich voor grote protesten en heeft men Mar del Plata omgevormd tot een versterkte vesting. Verschillende alternatieve radio’s in Buenos Aires werken samen in de live-verslaggeving van de protesten. Je kan ze live via internet volgen via indymedia Argentina of door hier te klikken.

Comments are closed.